Gepost door: Johan van Veen | 4 september 2010

Festival Oude Muziek Utrecht – vrijdag 3 september

De serie klavecimbelrecitals in de Lutherse Kerk werd afgesloten door Skip Sempé, die twee eigen instrumenten bespeelde. Het thema van zijn recital was Naar de revolutie en terug, waarin hij muziek van verschillende generaties klavecimbelcomponisten naast elkaar plaatste, overigens niet in chronologische volgorde. De oudste muziek was van Louis Marchand uit 1699 en van Gaspard Le Roux uit 1705. Een stap verder waren de stukken uit het vierde boek uit 1730 van François Couperin. Tenslotte kwam muziek aan bod die rond 1750 ontstond, van Antoine Forqueray (1747), Armand-Louis Couperin (1751) en Claude-Bénigne Balbastre (1759). De karakterverschillen kwamen goed uit de verf, ook door het gebruik van twee verschillende klavecimbels: een instrument naar een Frans klavecimbel in Vlaamse stijl van een onbekende bouwer en een kopie van een Taskin uit 1769. Dit interessante programma werd uitstekend voorgedragen door Skip Sempé. Interessant was dat hij van Forqueray dezelfde stukken speelde als Michael Borgstede een dag eerder. Beide interpretaties waren wat mij betreft overtuigend, maar Sempé was duidelijk extraverter en theatraler in zijn aanpak. Ook de karakterstukken van Couperin werden contrastrijk gespeeld, in het bijzonder La Pantomime, waarmee dit boeiende concert besloten werd.

Gedurende de 17e en 18e eeuw verbreidde de Italiaanse stijl zich over vrijwel heel Europa. Maar ook de Franse stijl vond navolgers, zoals in de orkestsuites die in Duitsland werden gecomponeerd. Een groot bewonderaar van de Franse stijl was Georg Philipp Telemann. Zijn zogenaamde Parijse kwartetten waren in Frankrijk bekend en werden er bewonderd. Met één van die kwartetten begon het concert van Musica ad Rhenum, met artistiek leider Jed Wentz (traverso), Igor Rouhadze (viool), Cassandra Luckhardt (viola da gamba), Job ter Haar (cello) en Michael Borgstede (klavecimbel). Het programma was getiteld Les contrefaiseurs, de nabootsers. Zelfs een Italiaan als Francesco Geminiani liet zich door de Franse stijl inspireren, zoals blijkt uit zijn Pièces de clavecin uit 1743, waaruit Michael Borgstede een Prélude in d speelde, gevolgd door François Couperin’s bekende karakterstuk Le Rossignol-en-amour. Dat laatste paste thematisch bij de twee kamercantates die uitgevoerd werden. Eerst klonk Les femmes van André Campra, dan het ‘antwoord’ van de Nederlandse componist Quirinius van Blankenburg, een andere ‘nabootser’, in zijn cantate L’apologie des femmes. Beide werden uitgevoerd en in zekere zin ook ‘voorgedragen’ door de bariton Maarten Koningsberger. Hij heeft niet een stem die mij erg aanspreekt en die ik associeer met barokmuziek. Maar gaandeweg het concert kon ik zijn interpretatie toch wel waarderen, vooral in de cantate van Van Blankenburg. De inhoud van de cantates kwamen zeker goed over. Het concert werd afgesloten zoals het begon, met een kwartet in dezelfde bezetting als dat van Telemann, maar nu gecomponeerd door Louis-Gabriel Guillemain. Musica ad Rhenum was hier, zoals in het hele programma, uitstekend op dreef en speelde gedreven en gedurfd.

Eén van de merkwaardigste componisten van de Franse barok is Guillaume Bouzignac (vóór 1587-ná 1643). Hij is een wat schimmige figuur, die stilistisch een geheel geïsoleerde positie in de Franse muziekgeschiedenis inneemt. Hij heeft nooit een functie aan een hof of in een kapel gehad en geen enkele van zijn composities is uitgegeven. Wie met zijn muziek wil kennismaken, kan te rade gaan bij een al wat oudere opname van Les Arts Florissants (Harmonia mundi). In veel opzichten is zijn muziek eigenlijk geen barok, maar eerder laatrenaissance. Musicologen vergelijken hem met Gesualdo, en daar zit iets in. Maar zijn muziek lijkt eigenlijk nergens op en als je niet zou weten dat het van Bouzignac is zou je het niet in Frankrijk in het begin van de 17e eeuw plaatsen. Les Pages & Les Chantres du Centre de Musique Baroque de Versailles, die op donderdagavond twee werken van Campra uitgevoerd hadden, wijdden zich nu – opnieuw in de Domkerk – aan werken van deze componist, dit keer met Les Simphonistes van dezelfde instelling als het koor. Dirigent Olivier Schneebeli liet opnieuw zien dat zijn koor uit voortreffelijke zangers bestaat. Enkele jongens en meisjes uit het koor werden ingeschakeld voor de lang niet altijd eenvoudige solopartijen. Vooral de solist in Ave Maria beschikte over een prachtige stem en goede techniek. De afwisseling tussen soli en tutti werkte goed in de motetten van Bouzignac, waarvan de dialoog Ha! plange filia Jerusalem wel het meest opvallend was. Bijzonder is ook het korte motet O mors, ero mors tua. Fraai was de Messe à 7 parties, die weliswaar anoniem is overgeleverd, maar vrijwel zeker van Bouzignac stamt. Iets minder overtuigend was de afwisseling tussen soli en tutti in de Litanies de la Vierge van Bouzignacs tijdgenoot Etienne de Moulinié. Het lijkt me dat dit stuk ook beter door een kleiner vocaal ensemble gezongen kan worden dan met een koor. De jongenssolist zong mooi, maar was wat de zwak in het lage register. De volwassen solisten – eveneens leden van het koor – leverden ook goede prestaties, vooral de alto. Maar het is vooral Bouzignacs muziek die hier op overtuigende manier in de schijnwerpers werd gezet.

Een relatief nieuw ensemble, Les Nouveaux Caractères, onder leiding van Sébastien d’Héron, maakte zijn opwachting in Vredenburg Leidsche Rijn met enkele acten uit Les surprises de l’Amour, een werk dat Jean-Philippe Rameau verschillende keren heeft omgewerkt. Hier klonken, na de ouverture, La lyre enchantée en Anacréon. De kleurrijke instrumentatie kwam goed uit de verf door het uitstekende en enthousiaste spel van het orkest. Van de solisten was ik minder onder de indruk. Het is ook moeilijk een werk als dit over te brengen in een concertante uitvoering. Alles komt op de vocale kwaliteiten van de zangers aan en op hun vermogen de tekst over te dragen. En dat lukte maar matig. Het verhaal in zulke werken is ook vaak wat warrig en dat in het programmaboek geen rollen bij de zangers werden vermeld, hielp ook al niet. De boventiteling was nogal vaag en niet echt goed te lezen. Maar dat was niet het echte probleem. De zangers hadden niet voldoende niveau om zo’n stuk te dragen en ook stilistisch was er het één en ander op hun interpretaties aan te merken. Het is al jaren een trend dat in de barokmuziek zangers worden ingezet die niet echt met de barokke stijl van zingen vertrouwd zijn. En dan krijg je dus zangers die voortdurend met een teveel aan vibrato zingen en meer klank produceren dan een tekst overbrengen. Dat was hier vooral het geval bij de sopraan Caroline Mutel en aanvankelijk ook de bariton Jean-Sébastien Bou. Beide werden iets beter gedurende het concert, maar vooral eerstgenoemde kon me niet bekoren. De mezzosopraan Karine Deshayes en de tenor Mathias Vidal maakten een betere indruk, zonder echter geheel te kunnen overtuigen. Het was vooral het orkestspel dat ervoor zorgde dat het een onderhoudende avond was.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: