Gepost door: Johan van Veen | 3 september 2010

Festival Oude Muziek Utrecht – donderdag 2 september

In de Lutherse Kerk werd de serie klavecimbelrecitals voortgezet, maar dan wel “down to earth”: het fraaie historische Hemsch-klavecimbel was ingepakt en vervangen door een hedendaagse kopie van een instrument van Taskin uit 1769. Het werd bespeeld door Michael Borgstede, die enige jaren geleden het complete klavecimbeloeuvre van François Couperin opnam. Hij begon zijn recital met diens 23e Ordre, dat uit vijf karakterstukken bestaat. Twee daarvan hebben een burlesk karakter, L’Arlequine – refererend aan de commedia dell’arte – en Les satires. Beide kwamen goed uit de verf. Jean-Baptiste Barrière is vooral bekend geworden door zijn boeken met cellosonates. Hij publiceerde ook een bundel met sonates en andere stukken voor klavecimbel. Daaruit speelde Borgstede de Sonata IV. Daarin ligt wel erg de nadruk op virtuositeit, zoals tot uiting komt in het openingsadagio, wat gedomineerd wordt door toonladderfiguren. Ik zou meer uit deze bundel willen horen om te weten te komen of deze een interessante toevoeging aan het bekende repertoire is. Jean-Baptiste Forqueray kwam vervolgens aan de beurt: Borgstede speelde de 1e Suite met daarin regelmatig gespeelde stukken als La Forqueray, La Bellmont en La Couperin. Borgstede gaat technisch geen zee te hoog, maar gelukkig beperkte hij zich niet tot een demonstratie van de virtuositeit van de componist en die van hemzelf. Forquerays muziek heeft natuurlijk wel degelijk inhoud; dat kan van Claude-Bénigne Balbastre niet altijd gezegd worden. Sommige stukken grenzen aan het banale. Borgstede had drie van de betere stukken uitgezocht: La de Caze, La d’Héricourt en La Bellaud.

Eerder deze week werden petits motets van François Couperin uitgevoerd door het ensemble Il Gardellino. In de Pieterskerk klonken enkele andere kleinschalige werken voor één tot drie stemmen en bc, in enkele gevallen met twee violen. Het Ensemble Pierre Robert trad op in de bezetting Marcel Beekman (hautecontre), Jan-Willem Schaafsma (tenor) en Robbert Muuse (bariton), Stéphan Dudermel en Yannis Roger (viool), Sylvia Abramowicz (viola da gamba) en Frédéric Desenclos (klavecimbel en orgel). De in totaal vijf petits motets bleken fraaie miniaturen te zijn, waarin de Italiaanse invloed – bijvoorbeeld op het vlak van de tekstexpressie – duidelijk merkbaar was. Dat kwam in de interpretatie ook goed tot z’n recht. Ik weet niet of Jan-Willem Schaafsma de vaste vervanger van Robert Getchell is, die vroeger in dit ensemble altijd de tenorpartijen zong. Als dat het geval is vind ik dat vooralsnog geen vooruitgang. De stemmen mengen wat minder goed dan met Getchell. Schaafsma heeft een licht vibrato in z’n stem en iets te weinig draagkracht. In de stukken voor drie stemmen domineerde Beekman teveel. Wat mij betreft mag hij wel eens wat minder luid zingen. Alles bij elkaar was het wel een mooi concert waarin de vocale werken werden aangevuld met twee sonates, La Visionnaire en L’Astrée, uitstekend gespeeld door de instrumentalisten van het ensemble.

Deze beide sonates werden door Couperin later in zijn bundel Les Nations met andere titels opgenomen. Deze bundel stond op het programma van Les Talens Lyriques onder leiding van Christophe Rousset in de Geertekerk. Gespeeld werden de complete 1e Ordre: La Françoise en 4e Ordre: La Piémontoise. Van de twee andere Ordres, respectievelijk L’Espagnole en L’Impériale klonken alleen de sonates, zonder de daarop volgende suites. Terwijl het Ensemble Pierre Robert de twee eerder genoemde sonates met twee violen uitvoerde, werden in dit concert de twee bovenstemmen afwisselend en in verschillende combinaties door twee violen, twee traverso’s en twee hobo’s uitgevoerd. In de basso continuo speelde niet alleen een viola da gamba, maar ook een fagot en een theorbe. Het gebruik van verschillende instrumentencombinaties zorgde niet alleen voor afwisseling van instrumentale kleuren, de keuze van de instrumentatie was ook op een zinnige manier gerelateerd aan het karakter van de verschillende delen. Les Talens Lyriques zorgde voor een zeer geëngageerde en spannende vertolking. Het is weinig zinvol voorbeelden te geven, want vanaf het allereerste begin speelde het ensemble op hoog niveau. Wel wil ik de sarabande uit La Piémontoise apart vermelden, prachtig gespeeld door de twee traverso’s van het ensemble. Dit concert was zonder meer één van de beste van het festival.

André Campra was niet alleen een begaafd componist van muziek voor het theater, hij schreef ook veel religieuze muziek, vooral vóór 1700 en na 1722. Twee van zijn werken klonken tijdens een concert in de Domkerk door Les Pages & Les Chantres du Centre de Musique Baroque de Versailles en het Orchestre des Musiques Anciennes et à Venir onder leiding van Olivier Schneebeli. Het koor bestaat uit 20 kinderen en 17 volwassenen en is daarmee, volgens de programmabrochure, “exact zo samengesteld als de Chapelle Royale van Lodewijk XIV”. Waarop is dat gebaseerd? New Grove geeft als aantal zangers in 1708 11 sopranen, 18 hautecontres, 23 tenoren, 24 baritons en 14 bassen. Verder: de sopranen van de Chapelle Royale waren jongens, falsetterende mannen en castraten. In Les Pages & Les Chantres die in Utrecht optraden, worden de sopraanpartijen door jongens en meisjes gezongen. Op het programma stonden twee composities van Campra: In convertendo, een grand motet op de tekst van Psalm 126 (125) en de Messe de requiem, zijn bekendste werk, dat uit ongeveer 1722 dateert. In beide werken is de Italiaanse invloed die het oeuvre van Campra doortrekt, duidelijk merkbaar. De meeste solopartijen in deze werken werden vertolkt door Robert Getchell (hautecontre), Jean-François Novelli (tenor) en Marc Labonnette (bariton). Twee jongens uit het koor namen enkele soli voor hun rekening en aan het eind van het Requiem werd een kort duet door twee meisjes uit het koor gezongen.
Olivier Schneebeli zorgde voor een uitstekende en doorleefde interpretatie. Het koor is van zeer goede kwaliteit en het gebruik van jongens- en meisjesstemmen levert een duidelijk ander klankbeeld op dan een gemengd koor. Dat sommige snelle passages wat ondoorzichtig waren, heeft vooral met de zeer ruime akoestiek van de Domkerk te maken. Wat de solisten betreft: de leden van het koor leverden bijzonder goede prestaties en deden daarin voor hun volwassen collega’s zeker niet onder. Met name het duet van de twee jongens in het Requiem was erg mooi. Fraai waren ook de soli van Robert Getchell en Jean-François Novelli. De bijdragen van Marc Labonnette konden me minder bekoren: hij forceerde teveel, zong vooral (te) luid – wat in een akoestiek als die van de Dom helemaal niet nodig is – en viel daarmee in het geheel wat uit de toon. Maar dit koor hoor ik graag eens weer in het festival.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: