Gepost door: Johan van Veen | 2 september 2010

Festival Oude Muziek Utrecht – woensdag 1 september

De eerste septemberdag begon voor mij met een nieuwe aflevering in de serie bespelingen van het historische Hemsch-klavecimbel in de Lutherse Kerk. Ditmaal was het de beurt aan de Italiaanse klaveciniste Paola Erdas, die twee jaar geleden ook al in het festival te gast was. Toen moest ik haar optreden helaas missen en dat kon ik nu goedmaken. Het programma was getiteld De uitvinding van de style luthé, waarin ze wilde aantonen hoe nauw de verwantschap tussen de luit- en de klavecimbelmuziek in het 17e-eeuwse Frankrijk was. Zoals ze in haar toelichting in het programmaboek schrijft: “Het klavecimbel was de nieuwe luit”. Compositietechnieken van de Franse luitcomponisten werden op het klavecimbel overgebracht. Op het label Stradivarius heeft ze jaren geleden al eens bewerkingen van luitcomposities gespeeld, die door een zekere Perrine aan het eind van de 17e eeuw voor klavecimbel werden getranscribeerd. Enkele daarvan speelde ze ook tijdens dit programma. Daarnaast klonken luitstukken van Robert de Visée en Ennemond Gaultier, alsmede oorspronkelijke klavecimbelwerken van Louis en François Couperin en van Jean-Henry d’Anglebert. Dat leverde een boeiend programma op dat door Paola Erdas briljant werd voorgedragen. De luitstukken klonken op het klavecimbel geheel natuurlijk en de connectie tussen de luit en het klavecimbel werden overtuigend duidelijk gemaakt. Een prachtig voorbeeld van een luitstuk op klavecimbel was Gaultiers La Cascade de Mr de Launay. De drie karakterstukken van François Couperin, La Ténébreuse, La Favorite en in het bijzonder Les Sylvains kregen fraaie interpretaties. Het programma besloot met Louis Couperins prachtige Passacaille in C.

In dit festival zijn verschillende musici te horen die aan het begin van hun carrière staan. En dat maakt het festival interessant, ook al zijn hun interpretaties niet altijd bevredigend. Juist daarom is het goed ook ‘oude rotten’ eens aan het werk te horen. In zekere zin hoort de Belgische gambist Philippe Pierlot daartoe, maar zeker zijn landgenoot Wieland Kuijken. Hij is één van de pioniers van de viola da gamba en heeft talloze opnamen op zijn naam staan, met muziek van Franse componisten maar ook van Bach. In Vredenburg Leeuwenbergh was hij te horen in een programma met muziek van Marin Marais, en wel stukken voor twee en drie gamba’s en bc. Met name de composities voor drie gamba’s, die in het vierde boek werden opgenomen, zijn uitzonderlijk. Marais liet zelf weten dat hij de eerste was die zulke composities uitgaf. Mogelijk heeft hij die muziek zelf met zijn kinderen uitgevoerd. Hier speelde Wieland Kuijken deze stukken met Mieneke van der Velden en Ricardo Rodríguez Miranda en Glen Wilson op klavecimbel. Het begin was niet erg overtuigend: het samenspel leek niet echt soepel te lopen en de zuiverheid liet nu en dan te wensen over. Maar na de eerste twee stukken voor drie gamba’s ging het beter. De Suite voor twee gamba’s in C uit het eerste boek werd mooi uitgevoerd, vooral het laatste stuk, Tombeau de Mr. Meliton. Daarna volgde als laatste werk de 1e Suite voor 3 gamba’s in D met in totaal negen delen. Hierin hoorden we een swingend uitgevoerd menuet, een spits gespeeld karakterstuk, Petite Paysanne, en tenslotte een expressief rondeau. In deze suite ontstond een sluitend samenspel tussen de drie gambisten, die een doorleefde en expressieve interpretatie realiseerden.

Skip Sempé is één van de artists in residence tijdens dit festival en op woensdag trad hij opnieuw op met zijn ensemble Capriccio Stravagante. Op het programma stond kamermuziek van Marin Marais, Pierre Philidor, Jacques Martin Hotteterre en François Couperin. De programmatoelichting in het programmaboek repte van “vernieuwende blazers in de Franse barok”, en dat sloeg uiteraard vooral op Philidor en Hotteterre, beide afkomstig uit muzikale dynastieën, waarin met name blaasinstrumenten bespeeld werden. In het licht daarvan was het wat teleurstellend dat alleen de blokfluit aan de orde kwam. Julien Martin speelde de Suite in e van Philidor en enkele brunettes van Hotteterre. Die laatste term slaat op een bepaald soort liederen die in de 17e en 18e eeuw bijzonder populair waren en dus ook voor instrumenten werden bewerkt. Als laatste stuk zou een triosonate van Leclair klinken, maar in plaats daarvan werd één van de Concerts Royaux van Couperin uitgevoerd. Skip Sempé kondigde deze programmawijziging zelf aan, maar vond het niet nodig te vertellen welk van de Concerts Royaux werd gespeeld. Ook hier werd de melodiestem door Julien Martin op de blokfluit gespeeld. Hij speelde keurig, maar niet erg boeiend, en dat was ook het geval in de suite van Philidor. Het beste lukten een suite van Marais, die was samengesteld uit stukken uit het derde en vijfde boek en zijn Tombeau de Sieur de Sainte Colombe, die door Joshua Cheatham goed werden gespeeld. Als geheel was het concert enigszins teleurstellend.

De Holland Baroque Society timmert de laatste jaren flink aan de weg. Het orkest speelt in gevarieerde bezetting onder steeds wisselende muzikale leiding. En het staat ook bekend om zijn eigenzinnige programmering, hetzij door het spelen van nauwelijks bekend repertoire hetzij door muziek in een bepaalde context te presenteren. In Vredenburg Leidsche Rijn trad het orkest in grote bezetting op onder leiding van Alexis Kossenko. Centraal stond de controverse tussen de filosoof en componist Jean-Jacques Rousseau en de in zijn tijd gevierde operacomponist Jean-Philippe Rameau. Het concept van de avond was dat fragmenten uit de geschriften van Rousseau die over muziek gaan, werden ‘becommentarieerd’ door fragmenten uit opera’s van Rameau, zowel instrumentale als vocale stukken. Creativiteit in de programmering valt op zichzelf te waarderen, wanneer de muziek daardoor dichter bij de luisteraar wordt gebracht. Maar wat op papier aardig lijkt, valt in de praktijk soms tegen. En dat was naar mijn mening hier het geval. De teksten van Rameau werden gesproken door de Belgische acteur Johan Leysen. Ik ken hem als zodanig niet, maar van zijn presentatie als ‘Rousseau’ was ik niet onder de indruk. Dankzij de geluidstechniek zal hij wel overal te horen zijn geweest, maar ik denk niet dat hij voor iedereen verstaanbaar was. Z’n articulatie liet nogal te wensen over en de snelheid waarmee hij soms sprak maakte het niet gemakkelijk alles te volgen. Dat hij alle teksten van papier voorlas is niet echt een probleem, hoewel wellicht enigszins verbazingwekkend voor een acteur, maar dat hij zich herhaaldelijk versprak, wèl. De relatie tussen de teksten van Rousseau en de muziek van Rameau was lang niet altijd duidelijk. Jammer was ook dat een aantal uitgekozen fragmenten zodanig werden ingekort dat ze nietszeggend werden.
Gelukkig viel er muzikaal veel te genieten. De soms verbazingwekkende instrumentatiekunst van Rameau kwam uitstekend uit de verf, dankzij goed gekozen fragmenten en het technisch goede en muzikaal doorleefde spel van de Holland Baroque Society. De drie vocale solisten – Sabine Devieilhe (sopraan), Anders J. Dahlin (hautecontre) en Alain Buet (bariton) – gaven uitstekende interpretaties van de diverse aria’s, al vond ik Alain Buets stem soms niet zwaar genoeg voor zijn rollen, vooral die van Huascar in Les Indes Galantes. Ondanks het feit dat het concept niet zo goed uitpakte, was het toch een onderhoudende avond.

Vrijwel elke liefhebber van klavecimbelmuziek kent Blandine Verlet. De inmiddels 68-jarige grande dame van het klavecimbel in Frankrijk heeft sinds de jaren 1970 zo’n 100 opnamen gemaakt en vele daarvan hebben de aandacht getrokken. Ik heb Louis Couperin via haar opnamen leren kennen en één van mijn eerste klavecimbelplaten was haar opname van sonates van Domenico Scarlatti. Ik heb haar nooit live horen spelen, dus toen het programma van het festival verscheen en ik zag dat ze zou optreden, wilde ik die kans niet laten lopen. De Lutherse Kerk was ondanks het tijdstip (middernacht) behoorlijk gevuld; onder het publiek verschillende klavecinisten die ook tijdens het festival optraden. Ze waren niet voor niets gekomen, want Blandine Verlet zorgde voor een onvergetelijk concert. Twee lange werken stonden op het programma: de Suite in d van Elisabeth Jacquet de la Guerre en de 8e Ordre van François Couperin. De klavecimbelmuziek van Jacquet de la Guerre is niet zo bekend en de uitvoering van een andere suite door Aurélien Delage zal niet iedereen van de kwaliteiten van haar muziek hebben overtuigd. De geëngageerde interpretatie van Blandine Verlet liet die kwaliteiten veel beter uitkomen, van de prachtig gespeelde prélude non mesuré via o.a. twee mooie courantes en een expressieve sarabande tot de prachtige chaconne en een lichtvoetig menuet als slotdeel. Ook Couperin kreeg een zeer boeiende vertolking, waarbij Verlet de nodige vrijheid nam zonder ooit de ritmische cadans te verstoren. Het is knap hoe ze in haar spel de dansritmes voelbaar weet te maken. Elk deel van deze Ordre werd tot in alle uithoeken verkend. Heel fraai was de sarabande L’Unique, maar niet minder het luchtige rondeau. Hoogtepunt was zonder twijfel de lange passacaille, waarin ze op knappe wijze naar de climax toewerkte. Het enthousiaste publiek dwong nog twee toegiften af. Naast mooie concerten zijn er concerten die je heel lang bijblijven. Dit was zo’n concert.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: