Gepost door: Johan van Veen | 31 augustus 2010

Festival Oude Muziek Utrecht – maandag 30 augustus

Het festival heeft dit jaar drie artists in residence: de klavecinist Skip Sempé, de gambist Philippe Pierlot en de sopraan Eugénie Warnier. De beide laatstgenoemden waren op maandag 30 augustus te horen. En verder heeft het festival een instrument in residence, een klavecimbel dat in 1751 werd gebouwd door Jean-Henry Hemsch en in het bezit is van Frédérick Haas. Dit instrument is in een aantal klavecimbelrecitals te horen, die in de Lutherse Kerk plaatsvinden. Dit mag zeker bijzonder genoemd worden, want zelden worden echt historische instrumenten in het openbaar bespeeld.

Deze dag gebeurde dat door de jonge Franse klavecinist Aurélien Delage, die een programma speelde onder de titel “Thuis in Versailles”, waarin muziek klonk van componisten die aan het hof waren aangesteld. Delage begon met de Suite in A van Elisabeth Jacquet de la Guerre, een opmerkelijke componiste, die al op jonge leeftijd grote indruk maakte aan het hof en sindsdien protégé van Lodewijk XIV was. Delage kwam wat moeizaam op gang en kwam pas in het laatste deel, de chaconne, wat los. Interessant was de kennismaking met drie delen uit de Pièces de clavecin uit 1733 van François d’Agincourt, geen totaal onbekende naam maar wel één van de nauwelijks gespeelde componisten uit de Franse barok.
Delen uit de 5e Ordre van François Couperin werden voorafgegaan door de 5e Prélude uit L’art de toucher le clavecin en het recital werd besloten met de 21e Ordre. Aurélien Delage speelde goed, maar weinig gedifferentieerd. Als geheel kon zijn recital me niet erg boeien. Ook de karakterstukken kwamen niet allemaal goed uit de verf. Maar misschien is het gewoon een kwestie van persoonlijke appreciatie.

Bij de voorbeschouwingen op het festival werd de loftrompet gestoken over de Franse sopraan Eugénie Warnier. Ze werd niet voor niets als artist in residence gepresenteerd. Tijdens het concert dat in Vredenburg Leeuwenbergh plaatsvond zijn de redenen daarvoor me niet geheel duidelijk geworden. Het programma was gewijd aan de air de cour, een lied voor solostem met basso continuo dat in de 17e eeuw heel geliefd was. Twee componisten die dit genre hebben beoefend, kwamen aan bod: Michel Lambert en Marc-Antoine Charpentier. Van Lambert kent waarschijnlijk iedereen het beroemde Ombre de mon amant dat natuurlijk ook in dit concert niet kon ontbreken, maar er is in zijn oeuvre meer moois te ontdekken. De airs van Charpentier zijn nauwelijks bekend – geheel ten onrechte, zoals het concert aantoonde. Eugénie Warnier is een zangeres met een duidelijk theatrale inslag. Ze zal het in het muziektheater ongetwijfeld goed doen, maar haar theatrale aanpak was er in dit repertoire geheel naast. Deze liederen vragen om een intieme benadering; het is tenslotte muziek voor de salon. De luisteraars op de achterste rijen zullen wellicht dankbaar zijn geweest voor het nogal grote geluid van Eugénie Warnier. Ik zat op de achtste rij, en daar was haar stemgeluid te penetrant en te groot. Van de tekst was overigens lang niet alles te verstaan, zeker niet wanneer Eugénie Warnier in het hoogste register zong. Problematisch was ook het teveel aan vibrato. Julien Léonard (viola da gamba) en Arnaud de Pasquale (klavecimbel) speelden als afwisseling enkele instrumentale stukken van Sieur de Sainte Colombe, Louis Couperin en Marin Marais. Daar was niets mis mee, maar echt boeiend kon ik hun bijdragen niet vinden.

Als iemand de titel artist in residence verdient, is het de Belgische gambist Philippe Pierlot. Dat laten zijn vele CD-opnamen zien, maar dat maakte hij ook vanaf het begin van zijn concert in de Geertekerk duidelijk. Samen met Emmanuel Balssa (viola da gamba), Eduardo Egüez (theorbe en gitaar) en François Guerrier (klavecimbel) – samen het Ricercar Consort – bracht hij een programma met muziek van François Couperin. Hoofdwerk was de 1e Suite voor viola da gamba en bc, maar daarnaast had hij uit de vier boeken met klavecimbelwerken van Couperin een aantal stukken bewerkt voor deze bezetting. Dat bleek verrassend goed uit te pakken en in zijn interpretatie klonken deze stukken alsof ze voor deze bezetting bedoeld waren. Met zijn collega’s gaf hij een bevlogen uitvoering. Prachtig was de Plainte pour les violes uit Les goûts-réünis, evenals karakterstukken als Les Silvains en La Séduisante. Ook de Suite in e kreeg een mooie interpretatie, met als hoogtepunt de afsluitende passacaille. Dit concert kan voorlopig als één van de hoogtepunten van het festival worden beschouwd.

Het festival probeert regelmatig een muziekdramatisch werk te programmeren en dat zo mogelijk scènisch te laten uitvoeren. Maar dat is duur en doet een te grote aanslag op de toch al niet zo ruime financiële middelen van het festival. Dus moesten we het deze keer doen met een concertante uitvoering van een werk van André Campra,  Le carnaval de Venise (*), uitgevoerd door solisten en Le Concert Spirituel onder leiding van Hervé Niquet. Het is een werk dat in een aantal opzichten sterk vernieuwend was, zoals in de toelichting in het programmaboek werd uitgelegd. Dat was ook de reden dat het geen groot succes was toen het in 1699 in première ging. Aan de kwaliteit van de muziek kan het niet gelegen hebben, want Campra betoont zich hier een uiterst creatief componist met groot gevoel voor theater. Het is officieel een comédie lyrique, en er zitten zeker komische elementen in, vooral in de eerste twee acten. Maar het is toch niet vergelijkbaar met de komische opera zoals die zich gedurende de 18e eeuw zou ontwikkelen.
Niettemin is het een onderhoudend werk en eerlijk gezegd miste ik de enscènering niet. Geënsceneerde producties in het verleden vielen soms op door smakeloosheid en gebrek aan historisch besef, en daaraan hoefde men zich hier niet te ergeren. Bovendien was de uitvoering door solisten en orkest van hoog niveau en, ondanks de concertante vorm, zeker theatraal, waardoor een boeiend geheel ontstond. De meeste indruk maakte de sopraan Isabelle Druet in de rollen van Minerve en La Fortune: een prachtige stem, een natuurlijke theatrale presentatie en een genuanceerde voordracht van haar rollen. Marina de Liso (Léonore) en Sarah Tynan (Euridice) deden nauwelijks voor haar onder, evenals Judith van Wanroij (Isabelle), die me veel beter beviel dan in het openingsconcert. Anders J. Dahlin zong een mooie rol als Orphée en de bassen Andrew Foster Williams en Edwin Crossley-Mercer waren aan elkaar gewaagd in de rollen van de rivalen Rodolphe en Léandre. Bariton Luigi De Donato tenslotte gaf een goede interpretatie van de rollen van Carnaval en Pluton. Ook stilistisch was op de prestaties van de solisten nauwelijks iets aan te merken en dat is nogal eens anders in uitvoeringen van barokopera’s. Le Concert Spirituel zorgde voor kleurrijke en levendige uitvoeringen van de orkestpartituur. Hervé Niquet heeft de laatste jaren diverse mooie Franse opera’s uitgegraven en op CD gezet. Hopelijk kunnen we ook van dit mooie werk van Campra een opname tegemoet zien.

(*) Een synopsis van deze opera (in het Frans) is hier te vinden: http://fr.wikipedia.org/wiki/Le_Carnaval_de_Venise_%28Campra%29.
Achtergrondinformatie over Le carnaval de Venise: http://findarticles.com/p/articles/mi_hb6657/is_n2_v51/ai_n28649301
(De beoordelingen blijven voor rekening van de auteur.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: