Gepost door: Johan van Veen | 29 augustus 2010

Festival Oude Muziek Utrecht – zaterdag 28 augustus

Ten tijde van Lodewijk XIV werd muziek gecomponeerd in vrijwel elk denkbaar genre, van grootse vocale werken tot zeer intieme composities voor de salon. Het hele scala van werken in grote bezetting tot muziek voor een enkel instrument kwam zaterdag in verschillende concerten aan bod.

Muziek in grote bezetting klonk tijdens het avondconcert in de Jacobikerk. Le Parnasse Français, een ensemble dat bestaat uit een koor en een orkest, bracht – aangevuld met vier vocale solisten en onder leiding van Louis Castelain – enkele grands motets, zoals die in de Chapelle royale in Versailles werden uitgevoerd. Vier van de grootste componisten in dit genre waren vertegenwoordigd: Jean-Baptiste Lully, Michel-Richard de Lalande, André Campra en Henri Desmarest. Van Campra klonk een recent ontdekte zetting van het Magnificat, dat overigens niet voor de Chapelle royale werd gecomponeerd. In het geval van het Regina coeli van Lalande moest enige reconstructiearbeid verricht worden. De psalmzetting Usquequo Domine van Henri Desmarest is opmerkelijk vanwege de fuga’s in het openingsdeel en het gebruik van chromatiek later in dit werk. Dat kwam in de uitvoering door Le Parnasse Français niet optimaal tot uitdrukking. De totaalklank, met name in de tuttigedeelten, was nogal massief en de tekstverstaanbaarheid was niet optimaal. Vooral in de dynamiek was iets meer differentiatie gewenst geweest. In het algemeen was de interpretatie wat te rechtlijnig. De grandeur die men met composities voor de Chapelle royale associeert, kwam wel goed tot z’n recht. De solisten leverden meestal goede prestaties: sopraan Judith Gautier – invalster voor Claire Lefilliâtre -, tenor Romain Champion en bas Benoît Arnould. Haute-contre Jeffrey Thompson kon me niet altijd bekoren. Vooral in fortepassages neigde hij tot forceren. Ronduit lachwekkend was zijn solo ‘Illumina oculos meos’ in Desmarest’s Usquequo Domine. Dat dit stuk in zekere zin een theatraal karakter heeft, kan niet worden ontkend. Maar dat is nog geen reden voor een opera-achtige aanpak van de passage “Laat mijn vijand niet roepen: ‘Ik heb hem verslagen'”. Samengevat:  een belangwekkend programma in een verdienstelijke en vaak goede, maar niet in alle opzichten bevredigende interpretatie.

Echt theatraal was het concert van La Risonanza o.l.v. Fabio Bonizzoni. Vorig jaar bracht Glossa een CD van dit ensemble uit met “Airs & récits” van Jean-Baptiste Lully. Daarin komen vooral Lully’s composities op Italiaanse teksten tot klinken, een aspect van zijn oeuvre dat tot nu toe onderbelicht gebleven is. Tijdens dit concert werden enkele van deze stukken uitgevoerd, aangevuld met vergelijkbare werken van André Campra, die onder sterke Italiaanse invloed stond. Op de CD had Bonizzoni de beschikking over drie uitstekende vocalisten, maar in dit concert zong Roberta Invernizzi, en die is toch een klasse apart. Ze heeft niet alleen een krachtige en soepele stem, die technisch geen beperkingen lijkt te kennen, haar voordracht is buitengewoon theatraal, op een volkomen natuurlijke manier. Daardoor wist ze in elk stuk het onderste uit de kan te halen, of dat nu de ragfijne en expressieve Plainte italienne van Lully, Deh, piangete al pianto mio was of Campra’s woedearia Vuo vendetta uit L’Europe galante. Het spel van La Risonanza sloot daar naadloos bij aan. Fraai ook was de Passacaglia variata van Michele Mascitti, een in Italië geboren en in Parijs werkzame componist, wiens werk meer aandacht verdient. Rest nog op te merken dat Roberta Invernizzi’s interpretaties door aankomende zangers beluisterd zouden moeten worden om te horen hoe je een vocale lijn kunt versieren.

Kwamen in het concert van Le Parnasse Français vier grands motets aan bod, Il Gardellino bracht een programma met petits motets van François Couperin. Petits motets zijn vocale werken voor solostemmen en basso continuo, in een aantal gevallen aangevuld met enkele obligate instrumentale stemmen. De meeste van deze motetten zijn zogenaamde versets du motet, waarin slechts een enkele regel uit een psalm op muziek is gezet. De Belgische sopraan Céline Scheen was vervangen door haar landgenote Caroline Weynants, een zangeres met een prachtige stem, die in de interpretatie aanvankelijk wat te bleek was. Gaandeweg werd dat beter en zong ze met meer expressie. De Franse bariton Alain Buet ontbreekt het zeker niet aan expressie, maar met zijn stem heb ik wat moeite: die is wat aan de harde kant – en dan bedoel ik niet zozeer het volume – en zijn voordracht soms wat te theatraal. In het tweede deel van het concert kon ik zijn interpretaties beter waarderen, maar misschien is dat ook een gevolg van gewenning aan z’n stem. In het hoge register is die in ieder geval wat intiemer en mooier van klank. Het door hem gezongen laatste stuk, Salvum me fac Deus, was ook een hoogtepunt van het concert. Het liet zien dat ook Franse componisten een psalmtekst als deze op een expressieve manier wisten te verklanken. Tegelijk moet vastgesteld worden dat een Duitse componist uit de 17e eeuw zo’n tekst op een aanzienlijk plastischer en gedetailleerder manier zou aanpakken. In Franse muziek moet het natuurlijk allemaal wel mooi blijven. Het concert opende met het 8e Concert dans de goût théatral, waarin de hobo’s van Marcel Ponseele en Ann Van Lancker soms iets teveel domineerden. Het concert duurde overigens ruim anderhalf uur – en dat is voor een concert dat om half elf begint gewoon te lang.

Tenslotte muziek voor de salon: de Couperin-dynastie was het thema van het recital van de klaveciniste Ludmila Tschakalova. Volgens het programmaboek is ze onder andere leerlinge van Gustav Leonhardt geweest, maar ze deelde me mee dat deze informatie onjuist is: ze heeft gestudeerd bij Kenneth Gilbert en Jos Van Immerseel. Desondanks deed haar spel me aan dat van Leonhardt denken, vooral in de verfijning en expressiviteit. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting in de stukken van Louis Couperin, waarmee het programma begon, en vooral in het laatste daarvan, de prachtige Pavanne in fis. Van François Couperin werden karakterstukken uit de 3e Ordre en de complete 26e Ordre uitgevoerd. In enkele karakterstukken, zoals La Pantomime, waarmee het concert besloot, had ze wat meer kunnen uitpakken; daar was de benadering toch iets te introvert. Dat geldt ook voor sommige stukken van Armand-Louis Couperin, zoals L’Arlequine, ou la Adam. Maar dat zijn slechts kleine kanttekeningen bij een mooi concert.

Advertenties

Responses

  1. Bedankt voor de mooie bespreking, maar ik ben nooit een leerlinge van Gustav Leonhardt geweest. Dit is een fout van de organisatie Oudemuziek Utrecht. Ik heb wel cursus gevolgd bij Kenneth Gilbert, en ik heb ook gestudeerd bij Jos Van Immerseel. Deze informatie kan helaas niet meer rechtgezet worden in het programmaboek van het festival, maar misschien wel in je blog? En nog: Ludmila Tschakalova: zo staat het op mijn geboorteakte, en op mijn identieitskaart. Ik ben niet in verplicht om mijn naam fonetisch te schrijven. Ik begrijp niet waarom je het nodig vond om dit tersprake te brengen. Mijn Email adres is wel LudmiLLa, maar ik ben evenmin verplicht om uit te leggen waarom. Groet, Ludmila Tschakalova.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: