Gepost door: Johan van Veen | 29 maart 2010

Brandnieuwe Brandenburgers

Recent is weer eens een handvol nieuwe opnamen uitgebracht van de Brandenburgse Concerten van Bach. Houdt het nooit eens op? Nee, ik ben bang van niet. Hebben die nieuwe opnamen iets interessants te bieden? Ja, althans sommige.

Er zijn er in elk geval drie – ik sluit niet uit dat ik er nog eentje gemist heb. De ‘dirigenten’ zijn Richard Egarr, John Eliot Gardiner en Masaaki Suzuki. Ik hoop over enkele weken een uitgebreide recensie op mijn site te zetten. Op dit moment beperk ik me tot enkele indrukken.

Vanuit musicologisch oogpunt heeft Gardiner eigenlijk niets te bieden. In zoverre is die opname overbodig. De belangrijkste nieuwigheid van Egarr is de stemming. Op grond van de verspreiding van Franse blaasinstrumenten in die regio in Duitsland waar Bach werkte, koos hij voor de lage Franse stemming (a¹=392Hz). Maar Egarr is een vreemd heerschap. Aan de ene kant kiest hij op historische gronden voor de Franse stemming en – op grond van getalsymboliek – voor het uitvoeren van het adagio van het derde Brandenburgse Concert zoals het genoteerd staat. Anderzijds gebruikt hij een theorbe en in Concert nr 5 zelfs een barokgitaar in de basso continuo, terwijl daarvoor – zoals hij zelf toegeeft – geen enkel historisch argument te vinden is.

Masaaki Suzuki komt ook met iets nieuws. In vier concerten (2, 3, 4 en 6) worden de cellopartijen gespeeld door de violoncello (of viola) da spalla. Dat is een instrument dat om de schouder wordt gedragen en in de barok werd bespeeld door violisten. Vooral in de concerten met prominente partijen voor de cello’s – de Concerten 3 en 6 – leidt dat tot een geheel ander klankbeeld. Het wordt doorzichtiger en de concerten krijgen daardoor een lichtere toets dan met cello’s.

Ook in de bezetting van de concerten verschillen de drie opnamen. Suzuki en Egarr kiezen voor een uitvoering met één instrument per partij; Suzuki bezet alleen in het eerste concert de twee vioolpartijen dubbel. Bij Gardiner horen we in drie van de concerten (1, 2 en 4) vijf of zes violen, twee altviolen, één of twee cello’s, violone en klavecimbel. Dat zou een duidelijk effect moeten hebben op het klankbeeld. En dat is ook zo, maar anders dan men zou verwachten.

Suzuki’s opname is qua akoestiek het meest natuurlijk. Maar helaas is de bas van het ensemble onderbelicht. Dat wordt natuurlijk nog sterker wanneer een violoncello da spalla wordt gebruikt in plaats van de cello. In de basso continuo wordt een violone ingezet, maar die is nauwelijks hoorbaar.

Richard Egarr mag het kleinste ensemble hebben, het produceert de grootste klank. Direct al in het eerste concert lijkt zijn ensemble veel groter dan dat van Gardiner. Dat ligt vooral aan het feit dat hij zijn opname in een kerk gemaakt heeft. Ik vind dat onbegrijpelijk, want de klank van het ensemble wordt daardoor ‘opgeblazen’. Vooral in de concerten 3 en 4 heeft dat een vrij desastreus effect. Daaruit is wellicht ook te verklaren waarom hij in de klavecimbelsolo in het vijfde concert de manualen koppelt. Dat is bij een solistische bezetting eigenlijk helemaal niet nodig. Masaaki Suzuki en Malcolm Proud (Gardiner) doen dat dan ook niet.

Gardiners opname is daarentegen gortdroog. Volgens het tekstboekje zijn de opnamen tijdens en na concerten in Parijs en Londen ontstaan. Ik heb geen enkel bijgeluid gehoord dat op een live-opname wijst, dus ik weet niet precies hoe ik deze mededeling moet opvatten. Maar het is wel vreemd dat in beide zalen de akoestiek even droog is. Of heeft de opnametechniek hier een handje geholpen?

Ik heb de verschillende concerten één voor één beluisterd, in de volgorde Suzuki-Egarr-Gardiner, en juist dan valt het verschil tussen de twee laatste zo op. Want Egarr heeft niet alleen een veel ruimere – tè ruime – akoestiek, hij heeft ook de musici zo in de ruimte geplaatst dat de contrasten tussen de verschillende groepen – bijvoorbeeld soli en tutti – optimaal tot hun recht komen. En dan valt het te weinig ruimtelijke klankbeeld van Gardiners opname extra op.

Over de uitvoeringen hoop ik in mijn recensie meer te schrijven. Op dit moment volsta ik met op te merken dat geen van deze drie opnamen mee zouden gaan naar een onbewoond eiland. De balans valt nu eens in het voordeel van de één, dan weer ten gunste van de ander uit. Suzuki is me muzikaal het meest tegengevallen. Ik vind de interpretatie meestal vrij flets en weinig geïnspireerd. Gardiner is soms erg mooi – vooral concertmeester Kati Debretzeni speelt heel fraai -, soms agressief en afgeraffeld. Zijn opname lijdt nogal eens aan ademnood. Egarr is soms mooi, soms irritant, bijvoorbeeld door vreemde temposchommelingen en overdreven dynamische verschillen, nog afgezien van een paar extreme vertragingen.

Zoals wel vaker gebeurt bij nieuwe interpretaties van frequent opgenomen repertoire keer ik terug tot wat mijn favoriete opname was en blijft: Musica antiqua Köln. Ik luisterde nog eens naar een paar fragmenten daaruit, en dan valt alles op z’n plek. Ik heb nog geen opname gevonden die deze overtreft.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: